Over Yuula
Yuula levert kwaliteit maatwerk fotografie voor elk doen
Neem contact op
your name
email ID
Yuula fotografie
Maatwerk fotografie
8 fotografiefouten die je wilt vermijden

Als fotograaf maak je het liefst altijd perfecte foto's. In de praktijk is dat natuurlijk niet mogelijk. Sterker nog, de meeste fotografen zijn al erg blij met één goede foto op vijfentwintig geschoten beelden. Veel fotografiefouten zijn echter simpel te voorkomen. In dit artikel acht veelvoorkomende fotografiefouten die je als fotograaf graag wilt vermijden.

1. Te trage sluitertijd
De stelregel is dat je minimaal een sluitertijd moet hebben die gelijk is aan 1 gedeeld door het brandpuntsafstand van je objectief. Werk je met een 50mm objectief, dan moet je sluitertijd minimaal 1/50ste zijn om beweging in je beeld te voorkomen (bij een crop camera moet je de cropfactor meerekenen, dus bij 1.6x crop moet je op 1/80ste schieten).

Als je onderwerp ook nog beweegt moet je hier ook rekening bij houden. 1/320ste van een seconde werkt goed bij het bevriezen van langzaam bewegende onderwerpen. Ben je sport aan het fotograferen of bijvoorbeeld langsrazende auto's, dan is een nog sneller sluitertijd verstandig.

Als je een te trage sluitertijd wilt voorkomen dan kun je natuurlijk werken in de sluitertijdvoorkeuze modus van je camera (Tv of S). Je stelt dan de sluitertijd handmatig in en de camera kiest een bijpassend diafragma.

Een alternatief is natuurlijk het werken met een statief. Zolang je onderwerp niet beweegt kun je dan gerust met erg lange sluitertijden werken en toch nog scherpe foto's krijgen.

2. Beeldstabilisatie aanlaten bij statiefgebruik
Steeds meer camera's en objectieven hebben beeldstabilisatie om jouw bewegingen te compenseren bij langere sluitertijden. Hierdoor kun je met een lagere sluitertijd toch nog scherpe foto's maken. Het is echter handig om te weten dat je deze beeldstabilisatie (meestal) handmatig uit moet schakelen wanneer je jouw camera op een statief gebruikt.

Doe je dit niet dan probeert de beeldstabilisatie ook op een statief nog te compenseren voor beweging (die er niet is). Het mechaniek van de stabilisator kan dan juist ongewenste trillingen veroorzaken. Zet je beeldstabilisatie dus uit wanneer je op statief gaat werken. Overigens herkennen sommige stabilisatoren dat je de camera op een statief zet en schakelen dan vanzelf uit.

3. Te hoge lichtgevoeligheid gebruiken
Heb je net nog binnen met een hoge lichtgevoeligheid geschoten, wandel je naar buiten de zon in en vergeet je de ISO terug te zetten op een lage waarde. Gevolg; ruis in je beelden waar dat helemaal niet nodig was geweest.

Ik denk dat het bijna elke fotograaf wel een keer overkomen is. Het nadeel is ook dat je deze ruis vaak niet snel ziet op het kleine schermpje achter op je camera, maar pas als je thuis bent. Je wilt dit dus voorkomen.

Een goede manier om fotograferen op een hoge ISO te voorkomen is jezelf aan te leren dat je standaard voor het nemen van een foto een korte blik werpt op je actuele instellingen. Die zijn doorgaans ook te zien in je zoeker.

Lukt het je niet deze gewoonte aan te leren? Gebruik dan de automatische ISO stand van je camera. Hiermee hoef je niet meer te letten op de lichtgevoeligheid; je camera past de waarde automatisch aan. Wordt je sluitertijd te kort, dan gaat de lichtgevoeligheid omhoog. Is er weer voldoende licht dan gaat de lichtgevoeligheid vanzelf omlaag.

Bij sommige camera's kun je zelf instellen wat het bereik is waarbinnen de automatische lichtgevoeligheid werkt.

4. Onjuiste scherpstelling
Zeker als je met een kleine scherptediepte fotografeert is het belangrijk om op de juiste plek scherp te stellen. De scherptediepte in een foto kan soms slechts enkele millimeters groot zijn. Dat ziet er mooi uit, maar als de scherpstelling dan niet heel nauwkeurig ligt verliest de foto zijn kracht.

Dit is vaak het duidelijkste bij een portret. Als de ogen niet scherp zijn dan is een portretfoto meestal gewoon mislukt. Deze minimale afwijking is meestal niet te zien op de achterkant van je camera, maar stoort direct wanneer je de foto in het groot op een computermonitor bekijkt.

5. Teveel contrast
Het contrast in een foto is het verschil tussen de lichte en de donkere delen. Je camera (sensor) heeft een specifiek bereik waarbinnen hij contrastverschillen goed kan laten zien. Als het verschil tussen de lichte delen en de donkere delen in je foto te groot is dan worden onderdelen helemaal zwart of helemaal wit. Hier zit dan geen beeldinformatie meer.

Een teveel aan contrast kun je opheffen door de donkere delen in te flitsen of op te lichten met bijvoorbeeld een reflectiescherm. Ook kun je meerdere foto's maken met verschillende belichtingen en deze samenvoegen in een HDR.

Je kunt een te groot contrast ook creatief gebruiken; bijvoorbeeld bij het fotograferen van silhouetten.

6. Rode ogen
Rode ogen in een foto krijg je wanneer je de flitser op je camera gebruikt. Het flitslicht weerkaatst op je retina en kaatst terug in het objectief. Rode ogen zijn overigens gemakkelijk in de nabewerking op te lossen, maar eigenlijk wil je gewoon voorkomen dat ze ontstaan.

Dit door je door ervoor te zorgen dat de hoek tussen je flitslicht en de weerkaatsing in je objectief te vergroten. Bijvoorbeeld door je flitser naar boven te richten in plaats van recht naar voren. Je kunt ook je model de andere kant op laten kijken; de reflectie valt dan ook onder een andere hoek en is niet terug te zien in de foto.

Kun je echt niet anders dan rechtstreeks flitsen, gebruik dan de rode ogen reductie optie die veel camera's hebben.

7. Foutief belichten
Natuurlijk kun je foutief belichten als je handmatig aan het fotograferen bent, maar veel vaker gaat het fout wanneer je de automatische stand van je camera gebruikt. De camera bepaald dan de gewenste belichting en die doet dat meestal op basis van gemiddelde metingen.

Alleen zijn onderwerpen vaak niet gemiddeld. Het gebeurd dan ook vaak dat je een foto krijgt die eigenlijk net iets onderbelicht of overbelicht (dat gebeurd minder vaak) is. Als je ziet dat dit gebeurd kun je de foto nogmaals maken met wat belichtingscompensatie.

Het is natuurlijk nog beter als je vooraf over een scene nadenkt en zelf al direct besluit dat je iets moet over- of onderbelichten om de automaat te compenseren. Het is dan handig om te weten hoe de camera 'denkt'.

Als er veel donkere delen in een scene zitten zal je camera overbelichten. Je moet dus compenseren door een beetje onder te belichten. Bijvoorbeeld met de belichtingscompensatie op -1. Zitten er juist veel lichte delen in een foto (denk aan een sneeuwlandschap) dan zal je camera onderbelichten. De sneeuw wordt dan grauw en grijs. Dit corrigeer je door de belichtingscompensatie op bijvoorbeeld +1 te zetten.

8. Verkeerde instellingen
Bij het voorbeeld van de lichtgevoeligheid noemde ik het al, maar het geldt voor veel meer situaties. Het komt erg vaak voor dat een fotograaf vergeet een eerdere gemaakt instelling weer ongedaan te maken. Niet alleen je lichtgevoeligheid, maar bijvoorbeeld ook een ingestelde over- of onderbelichting, Jpeg terwijl je normaal op RAW fotografeert of je witbalans.

Leer je zelf dus aan om regelmatig je instellingen te controleren. Als het gewenning is, dan zie je in een fractie van een seconde of bepaalde instellingen anders staan dan normaal.




Bron: photofacts.nl

 
home | portfolio | Links |